Scholierenbus

Scholierenbus

Mijn huis bevindt zich precies tussen twee stations in. De afstand naar beiden is, met oog op mijn recente overstap op openbaar vervoerd worden, gelukkig te overzien. Ik kan fietsen. Dan kost me een minuut of 5 tot 7. Dit kost me ook een bovengemiddeld aantal pantalons per jaar. Deze slijten namelijk reuzehard op een fietszadel. Zodoende kies ik doorgaans voor de bus.

Ik kan de bus naar station Haarlem nemen. Deze rijdt langs het Kenaupark. Zowel het huidige als het vorige college van B&W klussen hier graag aan de weg. Dat leidt er niet zelden toe dat er een wegopbreking is, en ik door de vertraging mijn trein mis.

Ik kan ook de bus naar Heemstede-Aerdenhout nemen. Via die weg miste ik nimmer een trein. Ook brengt deze route me langs Teestie. Dat is op zich al een reden om naar het station af te reizen, zelfs als je niet met de trein gaat. Gezegd moet wel worden, dat er op dit traject minder aan de weg gesleuteld wordt. Ik weet niet of dat een minpunt is.

Het deel van de buslijn dat ik volg, leidt langs drie middelbare scholen: het Eerste Christelijk Lyceum, Lyceum Sancta Maria en het Coornhert Lyceum. Dat heeft gevolgen voor de reizigerspopulatie in de bus. Deze is nagenoeg homogeen tussen de 12 en 18 jaar, uitgelaten, hierdoor soms goed hoorbaar en omvangrijk in aantal.

Toen ik zelf onderdeel van deze groep uitmaakte, vond ik in een stampvolle bus met soortgenoten stappen best eng. Intimiderend. Misschien was het mijn zelfbewustzijn of onzekerheid. Ik weet het niet. Wel weet ik, dat het me ertoe in staat stelde om de bus die ik eigenlijk moest hebben te laten passeren, hopend dat de volgende minder vol is.

Inmiddels ben ik minder dertig dan veertig. Ik ben iets minder zelfbewust en mijn onzekerheid kent wat tegenkracht. Ik stap zodoende iedere ochtend zonder twijfel de bus in. Dit neemt niet weg dat ik de taferelen steeds weer even op me moet laten inwerken. Het krioelt, het gilt, het klautert of het danst. Het overweldigt, vooral. De uitgelatenheid waarmee dat gebeurt, verdrijft soms gangbare omgangsvormen. Zo bemannen tassen schaarse zitplaatsen, en rusten voeten niet zelden op de bank.

Wanneer dit er toe leidt dat er geen plek is, is mijn eerste reactie om te blijven staan. Mijn tweede is die van besef dat ik geen zelfbewuste puber meer ben, en dat ik gewoon moet en wil kunnen zitten. Dat betekent dat ik mijn plek in dit hectische sub-systeem zal moeten innemen.

In mijn achterhoofd borrelen duizenden redenen op om gewoon te blijven staan. Deze variëren van scenes uit Blackboard Jungle en Rebel without a Cause, tot aan de koppen van krantenberichten van docenten die te maken krijgen met geweld van scholieren en intimidatie door hangjongeren. Unaniem is de spanning tussen volwassenen als ‘autoriteit’ en de nieuwe generatie. Wil ik echt op dat mes balanceren?

Het lukt me tot nu toe steeds weer om deze gedachten de kop in te drukken. Tot nu toe geef ik iedere keer weer aan dat de banken zijn om op te zitten (en niet om je voeten op te leggen), en dat het weinig sociaal is een tas op de stoel te leggen als andere mensen moeten staan.

Het lukt me iedere keer. Wat me opvalt? Wat een keurige jongere generatie we hebben. In ieder geval grote delen hiervan, zeker in mijn deel van Haarlem. Zonder uitzondering veren ze rechtop, grissen hun tas (of voeten) van de stoel en stamelen ze met blos op de wangen excuses. Ik hoef die helemaal niet, want ik vraag niet meer dan te kunnen zitten, maar het doet me wel goed. Het is geen gebrek aan fatsoen, hooguit onbenullige uitgelatenheid. De mensheid kent grotere vijanden.

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *