Plots

Plots

In gedachten verzonken rijd ik naar huis. Rechts van mij kabbelt de Leidsevaart. Links ligt een dijk waarover op gezette tijden een trein raast. Verkeer komt mij tegemoet, en verkeer volgt mij. Het is het einde van een werkdag.

Ter hoogte van de Manpadslaan komt mij over de tegemoetkomende baan plots een jongetje tegemoet. Hij maakt met zijn arm zwaaiende gebaren. Het doet mij uit mijn gedachten opschrikken. Jongetjes komen doorgaans niet zwaaiend forenzen tegemoet. Zeker niet op hun fiets over een rijbaan die exclusief voor gemotoriseerd verkeer wordt beoogd.

Het ongebruikelijke aan dit tafereel doet mij vaart te minderen. Ik open mijn raam. Voordat ik iets kan vragen begint achter mij iemand te toeteren. Dan begint het jongetje met trillende stem te praten. “Meneer, kunt u me helpen? Er staat daar een auto met draaiende motor en er ligt een meneer in.” Beelden van John Grisham’s The Client schieten mij door het hoofd. In welke een gevaarlijk tafereel probeert dit jongetje mij te trekken? Ik overweeg uit veiligheidsoverweging gas te geven en hard weg te rijden. Dan zie ik de bezorgde blik in zijn ogen. Deze herinnert mij subtiel aan het feit dat ik verondersteld word de volwassene te zijn. “De auto staat daar. Ik weet niet wat ik moet doen, en ik moet naar duincrosstraining.” Ik heb geen idee wat dit laatste betekent. Vervolgens besluit ik iets minder aan mijn eigen wel en wee te denken en te kijken of ik kan helpen.

Ik draai mijn auto de Manpadslaan in en stap uit. Het jongetje staat al snel rillend naast me. “Ga jij maar naar je training. Ik regel het wel”, hoor ik mezelf zeggen. Even vraag ik me af hoe ik over zou komen in een willekeurige tv-serie waarin de hoofdpersoon onverschrokken en heroïsch is. Mijn teksten hebben er inmiddels veel van weg. Toch merk ik dat ik wat onvast richting de auto loop. De motor draait inderdaad. Dichterbij komend, zie ik dat de bestuurdersstoel naar achteren is gezet. De bestuurder ligt achterover. Hij ziet er belabberd uit. Uiterst belabberd.

Ik tik op het raam. Zachtjes, dan harder. Het heeft geen effect. Ik bonk nu. Nog steeds niet. Even bedenk ik wat te doen. De deur open maken lijkt me niet aan mij. Als deze meneer een onschuldig dutje doet (niets is uitgesloten), dan zou dat immers een opmerkelijke actie zijn. Eén die ik zelf niet zou waarderen, wanneer ik hem zou zijn. Ik besluit tot iets anders. Ik ga de politie bellen. Niet het alarmnummer. Dat andere nummer. Dat wat je moet bellen als je alle tijd hebt om gered te worden. Uiteraard kan ik het me niet direct herinneren. Ik besluit het op te zoeken.

Met gezwinde spoed loop ik naar mijn auto. Hier ligt immers mijn telefoon. Ik ga zitten en kijk nog even naar de rustplaats dan wel mogelijke plaats delict. Dan kijk ik op mijn display. Op het moment dat ik ‘politie’ in heb getoetst in het zoekvenster, klinkt geklop op mijn raam. Verdwaasd kijk ik op. Ik zie een agent staan. Ik open mijn raam en zeg “ik ben jullie net aan het bellen.” De agent kijkt mij iets verbaasd aan. Hij lijkt iets te willen vragen. Ik ben hem echter voor. “Ik word door een jongetje van de weg gehaald, omdat daar een meneer in een auto met draaiende motor zit en hij er belabberd uit ziet.” De agent lijkt zijn vraag aan mij even te laten voor wat het is, en zegt ‘wel even te gaan kijken’. Ik hoef niet mee.

Vanuit mijn stoel zie ik hoe de agent op het raam van de geparkeerde auto tikt. Vervolgens loopt hij een rondje om de auto, tikt nog een keer en opent dan het portier aan de passagierskant. Ik ben nog steeds wat versuft, half mijn dag aan het verwerken en half aan het bedenken wat er nu eigenlijk gebeurt. Ondertussen lijkt de agent iets te zeggen, alsof de man in de auto inmiddels wakker is. Even lijkt het gesprek intens, dan normaal. Ik besluit dat ik geen rol meer heb, en start de motor van mijn auto. Ik zou namelijk het eten bij de Chinees ophalen.

Gedurende de laatste kilometers probeer ik te reconstrueren wat nu precies gebeurd is. Ben ik nu echt van de weg gelokt door een jongetje van rond de 11 jaar? Wat deed hij daar? Wie was die man? Waar kwam die agent plots vandaan? Was het geen babbeltruc? Ik durf bijna niet naar mijn achterbank te kijken, angstig dat daar plots iemand zit die ingestapt is terwijl ik afgeleid werd. Wanneer ik het uiteindelijk toch doe, zie ik niets dan een lege bank.

Ik besluit het voorval te accepteren zoals het is, en me te richten op het halen van mijn maaltijd. Toch hoor ik mezelf die avond nog vaak in gedachten “Ik was jullie net aan het bellen”, zeggen tegen de agent die midden in het landelijk gebied plots naast mij stond. Het klonk de eerste keer logischer dan nu.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *