Drank

Drank

Een drankprobleem is dat wat de mannen die bij de ingang van de supermarkt rondhangen hebben. Zij staan vaak in een hoekje of achter een muurtje, beschut tegen de wind. Bij hun voeten staat doorgaans een plastic tas, welke door de inhoud ervan de contouren van halve liter-blikken heeft. In hun ene hand hebben ze vaak zo’n blik vast, geopend en wel. Niet zelden hebben ze in de andere hand een shaggie. Soms zijn ze onderling in gesprek. Soms staan ze gewoon dicht bij elkaar willekeurige geluiden uit te brabbelen. Voor  een voorbijganger is het onderscheid nauwelijks merkbaar. Deze mensen zijn paria’s. Zij hebben overduidelijk een drankprobleem.

Ik dronk mijn eerste biertje op jonge leeftijd. Op een net iets oudere leeftijd dronk ik er regelmatig een, en vaak ook twee. Ik was toen weliswaar ouder dan de eerste keer, maar tegelijkertijd nog ver verwijderd van de grens van 16 jaar die, in mijn jeugd, legaal en niet-legaal drinken van elkaar scheidde.

Ik versliep me wel eens voor een les of een college, en heb vaker dan me lief is de werkdag moeten starten met aspirine. In beide soorten situaties was dit vaak een uitvloeisel van de ‘gezelligheid’ op de voorgaande avond. Toch heb ik nooit op drinken terug te voeren belemmeringen in mijn functioneren gekend. Daarvoor zou je wel echt een drankprobleem moeten hebben, zoals die mannen die bij supermarkten rondhangen.

In mijn sociale omgeving is het drankgebruik goeddeels overeenkomstig. De mannen en vrouwen hebben hun verantwoordelijkheden in het dagelijks leven, en nemen deze ook echt wel. Tegelijkertijd drinken zij graag, als zij in de gelegenheid zijn, een glaasje. Of twee. Voor de gezelligheid.

In het weekend zijn het er vaak nog meer. Eigenlijk altijd te veel. Nu we allemaal ouder worden, hoor ik van menig vriend of vriendin dat ze er minder goed tegen kunnen. De ‘hersteltijd’ is ook langer. Het doet geen afbreuk aan het nemen van een drankje wanneer het kan. Dat is immers gezellig. Een teken van ontspanning, ook. Het hoort erbij. Een borrel geeft aan dat je op een gezellige plaats, in een gezellige omgeving en in een leuke stemming bent. Het laat zien dat je een levensgenieter bent, met stijl en klasse. Het laat zien dat je alles er uit haalt. Niet alleen op verjaardagen of tijdens een feest. Nee, ook  gewoon tijdens het doen van (luxe) inkopen, tijdens zakelijke bijeenkomsten, bij de opening van winkels, ’s avonds op de bak, na het afzwemmen van een kind of, steeds gebruikelijker, bij een uitvaart.

Een drankje is een onmisbaar element van onze sociale interactie geworden. Natuurlijk, je moet een beetje op je benen kunnen blijven staan, maar verder is flink innemen gemeengoed. Sterker nog, wanneer je het niet doet, komt het je ontegenzeggelijk op veroordelend klinkende vragen te staan. ‘Ben je niet lekker?’ ‘Waarom doe je niet gezellig mee?’ of, als vrouw, ‘Moet je ons iets vertellen?”

In de laatste jaren vroeg ik mij steeds vaker af of ik niet te veel dronk. Ergens zat mijn drankinname me in toenemende mate niet lekker. Het feit dat de correlatie tussen alcohol en de meest verschrikkelijke ziekte inmiddels zo sterk aantoonbaar is, gaf me ook een ongemakkelijk gevoel. Dronk ik te veel?

Wanneer deze vraag opkwam, spiegelde ik me vaak met mijn omgeving. Ik dronk stevig, maar deed niet iedereen dat? Het hoort er toch bij? Je gaat immers niet op zaterdagavond met een colaatje in de kroeg staan. Kijk maar eens om je heen, dat doet niemand. Nee hoor, aan mijn drankgebruik was niets afwijkend. Die mannen bij de supermarkt, die zijn afwijkend. Zij hebben een drankprobleem. Niet ik.

Toch bleef het aan me vreten. Dit knagende gevoel werd zelfs steeds sterker. Ik constateerde steeds vaker dat ik sociale situaties zonder drankinname niet leuk vond, of op zijn minst mezelf zonder drankinname niet leuk vond. Door te drinken verdoofde ik dit soort gedachten, wat me de daaropvolgende dagen op depressieve gevoelens kwam te staan. Deze oorspronkelijke gedachten waren immers niet weg, maar met geweld aan de kant gespoeld om later meedogenloos hard terug te komen.

Ook merkte ik dat ik het een ongemakkelijk idee vond, dat ik me niet kon voorstellen dat ik niet zou drinken. Dat zag ik op geen enkele manier voor me. Drank is immers overal, dus het uit m’n leven bannen zou onmogelijk zijn. Ik zou tot een exoot verworden. Een paria.

Toen, op een dag dat alles samenkwam, was daar de spreekwoordelijke druppel. Ik was  er klaar mee. Ik wilde geen afhankelijkheid in mijn leven meer.

Sinds die dag drink ik niet meer. Niets meer. Ik weet niet voor hoe lang, maar hopelijk nog wel voor even. Het was moeilijk, zeker in het begin. Je raakt sociaal gezien veel tot ongeveer alles kwijt. Ik in ieder geval wel. Door ermee te stoppen, zag ik pas echt in hoe een groot deel van mijn sociale leven rond drinkaangelegenheden was geconcentreerd. Sommige vrienden van toen weten niet meer wat ze met me aanmoeten, en ik niet met hen. Kennelijk was hetgeen we deelden, hetgeen ik nu niet meer wil. Hierdoor is veel veranderd, zo niet alles. Ik ben onderdelen van mijn leven verloren.

Veel van wat verandert, verandert ook positief. Ik voel me stukken fitter. Ik voel me zelfverzekerder. Gezonder. Ik hou honderden euro’s per maand over. Ik maak mijn weekenden en vrije momenten bewust mee, en herinner me deze de volgende dag. Bovenal ben ik zelf weer de baas.

Een drankprobleem is voor de mannen die bij de supermarkt rondhangen, inderdaad. Dit betekent echter niet dat alleen een dergelijke ontspoorde, zichtbare vorm van drankgebruik duidt op een drankprobleem. Ik heb me moeten ontworstelen, en zie nu pas hoe diep drank in alle facetten van mijn leven gevloeid was. Als ik er nu naar kijk, moet ik constateren dat ook ik een drankprobleem had en, gezien mijn dagelijkse gedachten aan mijn leven toen, misschien wel heb. Spiegelen aan wat maatschappelijk geaccepteerd is enerzijds, en aan excessief misbruik door een groep paria’s anderzijds, doet daar niets aan af.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *