Baantje

Baantje

In de bijlage bij de zaterdagkrant van dit weekend delen lezers herinneringen aan hun eerste baantje. Mijn eerste baantje was op mijn dertiende bij een bollenboer in een naastgelegen dorp. Samen met drie vriendjes fietsten we op vrijdagmiddag het erf op om te vragen of ze werk voor ons hadden. De eerstvolgende maandag konden we starten. We zouden zeven gulden per uur verdienen. Wanneer we goed werkten konden dit er acht worden. Bij uitstekend werk tien.

Ik werd ingedeeld bij één van de drie broers van wie het bedrijf was. Samen met een vaste kracht zouden wij het land rooien dat de familie in een verderop gelegen dorp had. Dit betekende dat we om 6 uur vanaf het bedrijf zouden vertrekken om eerst naar het betreffende land te rijden. Daar begon de werkdag feitelijk. Mijne begon in praktijk iets eerder, omdat ik een half uur nodig had om überhaupt bij het bedrijf te komen.

De boer had een hekel aan mensen uit buurgemeenten. Hij benadrukte dat meermaals per dag, gesproken of in zijn handelen. Hij schold je verrot, of reed je met de tractor bijna omver als je niet snel genoeg aan de kant sprong. Tijdens de spaarzame en korte eetpauzes vertelde hij de vaste kracht hoezeer hij inwoners van de buurgemeenten haatte. Niet zelden zat ik met tranen van machteloosheid in de ogen verderop te eten, me afvragend hoe mensen zo naar konden zijn. Ook vroeg ik me af hoe er, ondanks het zorgvuldige dichtgeknoopte boterhamzakje, zoveel zand tussen mijn boterhammen kon zitten.

We werkten tot een uur of zeven, waarna we terug reden naar het bedrijf en ik de fietstocht naar huis in kon gaan zetten. Ik vond het ongekend zwaar en was binnen de kortste keren doodop, maar had wel het idee dat het me goed deed. Hier werd ik een man van. Of zo.

Na twee weken kregen we ons loonzakje. Een bruin, klein envelopje met daarin wat geld. Mijn vriendjes (die aanzienlijk kortere dagen hadden gemaakt), kregen omgerekend 7 gulden per uur. Ik moest het doen met vijf gulden per uur. Dat was immers een prachtig uurloon voor een dertienjarige, zo liet ik me vertellen.

Sindsdien hoop ik iedere keer dat ik langs het bedrijf rijd rookpluimen uit het pand te zien komen. Iedere keer dat ik in een rouwadvertentie de betreffende achternaam zie, maakt mijn hart een sprongetje van vreugde. Ik meen ooit gehoord te hebben dat het de broers en het bedrijf slecht vergaan is. De bedrijfsnaam is veranderd, wat dit zou kunnen bevestigen. Ik hoop het van harte. Karma biedt immers veel moois, maar rancune en wraak iets veel zoeters.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *